ROTTERDAMSE WERKER 's Morgens vroeg voor dag en dauw, gaat ie weg van kind en vrouw, en blijft heel de dag in touw, òm te werken… Schoon nog moe en afgemat, wijl ie weinig nachtrust had, is 'ie toch alweer op pad, òm te werken… Komt 'ie thuis zo zwart als roet, wast 'ie eerst zijn zwarte toet, 't eten smaakt hem eens zo goed, nà het werken…. Van natuur in lentetooi, poëzie en ander mooi, droomt 'ie nimmer in z'n kooi, maar van werken.. Maar ge-luk-kig wordt de ha-ven In het bui-ten-land bekend En ge-nie-ten para-sie-ten Van 't bepaalde dividend. Of de zomerzon hem schroeit, of de wind langs daken loeit, of een hevig onweer broeit, hij moet werken.. 's Winters vriest de man eruit, en verdient geen rooie duit, want er komt niet éne schuit, òm te werken.. Het Maatschap'lijk Hulpbetoon wordt dan tijd'lijk zijn patroon, maar toch hindert hem dat loon, zònder werken.. D'echte ruwe proletaar is geen luie bedelaar, maar een vent van zessen klaar, dié wil werken… Refrein: Om de praatjes in de krant, dat íe liever lanterfant Lacht een jongen van de kant, bij het werken… Of 'ie kolen lost of graan, bij een knijper of een kraan, Hij pakt altijd stevig aan, weet van werken… En wanneer 'ie niet meer kan, komt voor hem een frisse man, die met ijver en elan, zál gaan werken…. Dan ontvangt Jan Boezeroen, van het Rijk drie pop pensioen en lijdt honger met fatsoen, ná het werken…. Refrein: